Overheid


Historie

Suriname is een republiek met de president als staatshoofd. Op 25 november 1975 verwierf Suriname haar staatkundige onafhankelijkheid. Volgens historici voert de geschiedenis van Suriname terug naar duizenden jaren voor Christus toen de Indianen het gebied aan de Noordoostkust van Zuid-Amerika reeds bewoonden. Na veroveringen, de slavernijperiode, de onafhankelijkheid, de revolutieperiode, de binnenlandse oorlog  en de periode van democratisch herstel bevindt Suriname zich nu in een fase van bloei en ontwikkeling.

Van verovering naar slavenarbeid         
Nog voordat de Spanjaarden het gebied Suriname veroverden leefden er al Indianen in dit gebied. Na de verovering vestigden ook Engelsen, Fransen, en Hollanders zich in Suriname. De Engelsen stichtten suiker - en tabaksplantages. Uiteindelijk kwam Suriname, na de ruil met  Nieuw Amsterdam (het huidige New York) in 1674 tussen de Hollanders en de Engelsen, formeel onder Nederlands bestuur. Suriname werd als kolonie geëxploiteerd.  De Nederlandse overheersing in de koloniale tijd wordt gekenmerkt door de slavenhandel. Om de plantage-economie in stand te houden werden er slaven uit bepaalde delen van Afrika gehaald. Slaven die wegliepen van de plantages vestigden zich in de bossen van Suriname en worden Maroons of Boslandcreolen genoemd. In 1863 werd de slavernij afgeschaft. De multi-etnische samenleving werd een feit toen in de jaren daarna steeds meer contractarbeiders uit Brits-Indië en Nederlands Indië naar Suriname kwamen.

Opkomst nationalisme                                
Nederland domineerde niet alleen economisch maar ook politiek. Zo was de Koningin van Nederland ook Koningin van Suriname. Suriname had aan het hoofd een Gouverneur en werd later ook onderdeel van de koloniale staten, een soort volksvertegenwoordiging. Na de tweede wereldoorlog kreeg Suriname meer zelfbestuur. De eerste politieke partijen werden langs etnische lijnen gevormd en vertegenwoordigden elk een bevolkingsgroep. In 1949 werden de eerste algemene verkiezingen gehouden. De grootste partijen waren de NPS (partij van de Creolen), de VHP (partij van de Hindustanen) en de KTPI (partij van de Javanen).  In de jaren daarna ontstonden er ook kleinere partijen, veelal versnipperingen die ontstonden uit verschil van inzichten. In de jaren zestig begon de roep om onafhankelijkheid toe te nemen. Nationalistische denkbeelden kregen gestalte in de vorming van verschillende partijcombinaties. Vooral bij de creolen werd er samenwerking gesmeed. Politieke iconen als de heer Pengel, een NPS coryfee, en de heer Bruma, flankeerden het politieke strijdtoneel met hun opvattingen over autonomie en staatkundige onafhankelijkheid. Om de samenwerking tussen de twee grootste partijen te bevorderen sloot de heer Pengel,  die later premier werd van Suriname, een politiek pact met de heer Lachmon, de leider en later zelfs de guru van de hindustaanse partij. De zogenaamde verbroederingspolitiek tussen de Creolen en de Hindustanen moest zorgen voor een stabiele democratie.

In de samenleving groeide het politiek bewustzijn en de machtsfactor van de bonden  begon te blijken uit de verschillende stakingen van eindjaren '60 en de beginjaren '70.
De  partijcombinatie NPK won de verkiezingen van 1973. De VHP echter behaalde niet genoeg zetels en zij claimden de politieke doorbraak te brengen en stelde de staatkundige onafhankelijkheid zelfs als noodzaak voor de sociaal-economische ontwikkeling en vooruitgang. De etnische politiekvoering was echter nog een struikelblok voor deze vooruitgang. De uitsluiting van een grote bevolkingsgroep, de Hindustanen, die niet vertegenwoordigd was in die regering kwam de eensgezindheid in het land en het streven naar volledige onafhankelijkheid niet ten goede. De tegenstellingen in politieke opvattingen over de onafhankelijkheid heeft het politieke spectrum in Suriname toen al en jaren daarna nog beheerst Het moment waarop de onafhankelijkheid van Suriname een feit zou moeten zijn, vormde de inzet van de politieke machtstrijd tussen de twee grootste bevolkingsgroepen.

Onafhankelijkheid         
De leider van de Hindustaanse partij de heer Lachmon was een voorstander van geleidelijkheid terwijl de leider van de NPS, de heer Arron, de onafhankelijkheid onherroepelijk verklaarde. Als gevolg heerste er vrees voor raciale spanningen en er kwam een uitstroom van Surinamers naar Nederland op gang die de verdeeldheid onder de Surinamers nog groter maakte en de beloofde natievorming ernstig schaadde. Op 25 november 1975 was de onafhankelijkheid een feit. Er was vreugde maar er was ook angst.  Voor het onafhankelijke Suriname braken roerige tijden aan. De verdeeldheid tekende zich de jaren daarna nog sterker af in kwesties als de nationaliteit van Surinaamse burgers. Maar ook de relatie met Nederland, de grenskwestie, defensieaangelegenheden, de herstelbetalingen en de luchtvaartbetrekkingen waren vaak inzet voor verhitte debatten. Daarbij ontstonden er  bij de regeercoalitie van de nationalisten interne conflicten. Regeren was bijna onmogelijk, er was een spanningsveld tussen coalitie en oppositie en het parlementaire werk kwam stil te liggen. Corruptie vierde hoogtij en binnen de samenleving heerste er veel onrust en ontevredenheid.

Militaire coup 
Op 25 februari 1980 pleegden de militairen een staatsgreep onder leiding van de huidige president van de Republiek Suriname. Deze dag gaat de geschiedenis in als de Dag van de Revolutie. Een omwenteling in het denken over zelfstandigheid en ontwikkeling en de vorming van één natie deed zijn intrede.           
Onder de bevolking was er weer hoop op de aanpak van corruptie en een vorm van enthousiasme was merkbaar binnen de samenleving. Er werd naast een Nationale Militaire Raad (NMR) ook een burgerregering geïnstalleerd. Om de rust, orde, arbeidsethos en discipline te handhaven werden er volksmilities opgericht. Maar ook binnen het leger ontstonden er ideologische conflicten. In de samenleving groeide de weerstand tegen het militair gezag en namen de complotten tegen het gezag toe wat resulteerde in een aantal tegencoups met als dieptepunt 8 december 1982 waarbij in Fort Zeelandia vijftien tegenstanders van het beleid de dood vonden.             
Hoewel de rol van Nederland in het onafhankelijk Suriname niet onbevlekt is gebleven, schortte Nederland het verdrag over de ontwikkelingssamenwerking onmiddellijk eenzijdig op. Suriname heeft de jaren daarna zonder gelden uit Nederland de ontwikkeling, gebaseerd op eigen kunnen, in gang gezet. Hoewel de bevolking de broekriem aardig moest aantrekken was er een vorm van stabiliteit en er werden Surinaamse verschillende industrieën opgezet. Staatsolie is een van de vlaggenschepen die werd opgezet.

Binnenlandse oorlog   
De productie kwam langzaam op gang. Industriebedrijven zoals het Patamacca Oliepalmbedrijf was een groot voorbeeld. Het gevoel van WES (wi egi sani) groeide. Deze ontwikkeling werd verstoord door het verzet die deze keer vanuit het binnenland kwam. Militaire doelen waren het mikpunt en een periode van een bloedige strijd brak aan. De binnenlandse oorlog die begon in 1986 met het Jungle Commando als tegenstander van de militairen heeft veel verwoestingen aangericht, maar ook de politieke verdeeldheid onder de bevolking was manifest. Deze oorlog heeft zes jaar geduurd.

1987-1996
In 1987 werd een nieuwe grondwet aangenomen en werden er nieuwe verkiezingen uitgeschreven. De regeerperiode onder leiding van de heer Shankar vanaf 1988 was van korte duur. Middels een zogenaamde telefooncoup is deze regering naar huis gestuurd en werden er in 1991 nieuwe verkiezingen uitgeschreven. De meerderheid van de zetels werd binnengehaald door Nieuw Front, de combinatie van de etnische politieke partijen (NPS, VHP, KTPI) en de SPA, de Surinaamse partij van de arbeid. Ronald Venetiaan werd de nieuwe president van Suriname. In die periode zijn de banden met Nederland aangehaald en kwam er een zogenaamd Raamverdrag met onder andere als doel het land uit de economische malaise te halen.               
Ondanks het herstel van de democratie en de hervormingen met de hulp vanuit Nederland bleef de ontwikkeling uit. Er volgde verkiezingen in 1996 waarbij het Nieuw Front in de meerderheid was met 24 zetels. De presidentsverkiezingen werden echter gewonnen door Jules Wijdenbosch, die kandidaat was voor de NDP.

Regering Wijdenbosch                
De regering Wijdenbosch staat erom bekend verantwoordelijk te zijn voor de ontsluiting van Paramaribo met de districten door de bouw van twee grote bruggen. Ondanks de langzame vooruitgang werd er binnen de samenleving veel kritiek geuit op de regering. De roep om af te treden werd door maatschappelijke groeperingen versterkt. Het gestructureerd samenwerkingsverband werd aangegaan tussen de oppositie, de arbeidsbeweging, de industriële sector, en andere sociale groeperingen. Het uiteindelijk doel was om de regering naar huis te sturen. President Wijdenbosch besloot zelf af te treden en in 2000 werden er vervroegde verkiezingen gehouden.  

Regering Venetiaan     
De periode hierna heeft zich gekenmerkt door een aaneenschakeling van politieke strijd tussen Nieuw Front (NPS, VHP, Pertjajah Luhur, SPA) en de grootste oppositiepartij de NDP. Ook de partijen die grotendeels het binnenland van Suriname vertegenwoordigen betraden zichtbaar de politieke arena. Het Nieuw Front, met Ronald Venetiaan als president heeft als combinatie twee termijnen achterelkaar aangezeten (2000-2005 en 2005-2010).

De zogenaamde rust die men wilde was er. Ook de beloofde stabiliteit keerde terug. De Surinaamse gulden werd vervangen door de Surinaamse dollar. De samenleving werd echter kritischer, en het begrip partijloyalisten heeft menig politiek debat gefrustreerd. De verdeeldheid onder de etnische partijen was des te groter. Dit had zijn weerga in het overheidsapparaat waar politieke partijen de verschillende overheidsdiensten beheersten. Begrippen als patronagepolitiek en 'zeven even' ambtenaren werd op menig politiek podium in de strijd gegooid om het misnoegen kenbaar te maken. Het gevoel heerste dat de volgelingen van de nationalisten van de jaren '60 -'70  nagelaten hebben om aan de beloofde eenheid invulling te geven. Bovendien verliep de relatie met Nederland weer moeizaam door het verschil van inzicht over de besteding van de financiële verdragsmiddelen. Het rapport 'Een belaste relatie' kwam bovendien uit en zorgde voor een nog moeilijkere relatie. Hoewel de regering Venetiaan garant stond voor onder andere de monetaire stabiliteit en herstel van betrekkingen met het buitenland werd zij verweten niets te doen aan de interne investeringen in bijvoorbeeld de productiesector, waardoor Suriname zichzelf kon ontwikkelen. 

Verkiezingen 2010         
Bij de verkiezingen van 2010 ging de winst naar de Mega Combinatie die een sterke focus heeft op het vormen van één natie en eigen ontwikkeling. De democratisch gekozen huidige President van de Republiek Suriname, Zijne Excellentie de heer Desiré Delano Bouterse, werd met een tweederde meerderheid gekozen. Op 12 augustus 2010 vond de inauguratie plaats van president Bouterse en vicepresident Ameerali.